Schrijftips

Tips voor het schrijven

Vind jij schrijven net zo leuk als Jannette Weultjes, maar kun je nog wel wat tips gebruiken? Kijk dan op deze pagina of volg de schrijftips op Facebook en/of LinkedIn. Veel schrijfplezier!

 

Skivakantie

In de winter gaan veel mensen op skivakantie. Skiën is best een lastig woord om te vervoegen. Ik ski, is niet moeilijk om te schrijven. Maar hoe doe je dat bij jij en hij? Jij skit en hij skit? Nee, dan is de kans te groot dat het verkeerd wordt uitgesproken. Daarom komt er in deze gevallen een e tussen, dus jij skiet en hij skiet. In de verleden tijd zie je die e ook weer terug: ik skiede, jij skiede, hij skiede en wij skieden. Bij ik heb geskied hoort de e er ook in. Hetzelfde geldt voor een woord als taxiën.

 

Gedichten

Als jij het leuk vindt om gedichten te schrijven, vraag je je misschien weleens af of je ook leestekens moet gebruiken. Gedichten zijn een vorm van kunst en daarom mag je als kunstenaar zelf weten of je leestekens gebruikt. Wil je dat de lezer jouw gedicht volledig leest zoals jij het hebt bedoeld, dan is het verstandig om leestekens toe te voegen, want leestekens kunnen jouw idee achter de zinnen verduidelijken. Vind je dat de lezer zelf een interpretatie aan jouw gedicht mag geven, dan kun je de leestekens weglaten. Hoe dicht jij?

 

Klemtoon

Twijfel jij ook weleens hoe je het meervoud moet schrijven van woorden die op een e eindigen, zoals knie, bacterie, twee en idee? Misschien heb je dan wat aan deze tip: wanneer de klemtoon op de laatste lettergreep valt, dan komt er ën achter, dus knieën, tweeën, ideeën. Ezelsbruggetje: een klemtoon geeft het woord een lange klank en dan maak je het woord ook langer, met ën dus. Bij bacterie komt de klemtoon niet op de laatste lettergreep, maar op de tweede en dan komt er alleen een n achter het woord. Op de laatste e komt dan een trema, dus bacteriën. 

 

Windrichtingen

Weet jij wanneer je windrichtingen met of zonder hoofdletter moet schrijven? Wanneer je het over een oostenwind hebt of je schrijft dat de wind uit het oosten komt, dan heb je het letterlijk over een windrichting en schrijf je het met een kleine letter. Wanneer je een geografisch, economisch of politiek gebied bedoelt, dan schrijf je het met een hoofdletter, bijvoorbeeld het Verre Oosten, de landen in het Zuiden en het Wilde Westen. Ook gebruik je een hoofdletter in aardrijkskundige namen, zoals in Oost-Europa, Zuid-Afrika.

 

Sinterklaas en sinterklazen

Op 5 december vieren we sinterklaas. Of moeten we sinterklaas eigenlijk met een hoofdletter schrijven? Als we het over dé unieke Sinterklaas hebben, dan schrijven we het met een hoofdletter. Hetzelfde geldt voor het woord Sint. Maar als het over het feest gaat, dan schrijven we sinterklaas. En als er vanwege de zwarte pietendiscussie een protestactie van sinterklazen is, dan schrijven we dat met een kleine letter, want dan hebben we het niet over één uniek persoon. En als je het over het werkwoord sinterklazen hebt, dan schrijf je het altijd met een kleine letter.

 

Whatsapp

Door de digitalisering krijgen we steeds meer nieuwe woorden in onze taal. Whatsapp is zo’n woord. Het begon met de dienst Whatsapp, maar inmiddels whatsappen we er lustig op los. De dienst Whatsapp schrijven we met een hoofdletter, maar het werkwoord met een kleine letter. Je vervoegt het als volgt: ik whatsapp, ik whatsappte en ik heb gewhatsappt. De stam van whatsappen eindigt op een p. De regels van ’t kofschip zorgen ervoor dat we whatsappte en gewhatsappt met een t schrijven.

 

Hen of hun?

Het gebruik van hen en hun is best lastig. Wanneer er een voorzetsel voor staat, schrijf je hen. Voorbeelden: ‘Ik geef het boek aan hen’, ‘Die kaart is voor hen’, ‘De bomen staan om hen heen’. Iets lastiger is hen als lijdend voorwerp, bijvoorbeeld in zinnen als ‘Ik feliciteer hen’, ‘Hij inspireert hen’. Je kunt controleren of hen lijdend voorwerp is door ‘worden’ en ‘zij’ in de zin te zetten. In dit geval: ‘Zij worden gefeliciteerd’, ‘Zij worden geïnspireerd’. Doordat dit correcte zinnen zijn, is hen het juiste woord.

Hun gebruik je als bezittelijk voornaamwoord: hun fietsen, hun tassen. Ook schrijf je hun in zinnen waar je een voorzetsel voor kunt denken: ‘Hij geeft hun een kop koffie’ (aan hen), ‘Verhuizen is hun een brug te ver’ (voor hen), ‘Dat risico is hun te groot’ (volgens hen). Hopelijk kun je met deze ezelsbruggetjes uit de voeten! 

 

Niet mixen a.u.b.

In interieurs heeft het vaak een mooi effect om spullen uit verschillende tijden met elkaar te mixen. Tijden mixen is in teksten geen goed idee. Bijvoorbeeld: Vandaag gaan we naar het circus. En toen gingen we op de voorste bank zitten. De eerste zin zegt iets over wat nog moet komen, terwijl de tweede zin suggereert dat het al voorbij is. Kies dus vooraf in welke tijd je de tekst wilt schrijven en wees consequent.

 

Schuine streep en spaties

Wanneer zet je spaties voor en na een schuine streep? Als er voor en na de schuine streep één woord staat, schrijf je het zonder spatie, bijvoorbeeld bij en/of, hij/zij, heer/mevrouw. Wanneer de schuine streep op meerdere woorden betrekking heeft, kun je er wel spaties voor en na zetten. Een voorbeeld: Hij vraagt een oranje voetbal / regenboogkleuren stoepkrijt voor zijn verjaardag.

 

Bijvoeglijke naamwoorden

We schrijven het lekkere ijsje, maar een lekker ijsje, het zwarte paard, maar een zwart paard, de glimmende ring, en een glimmende ring. Waarom schrijven we lekker en zwart bij een een-woord zonder e en glimmend met een e erachter? Dit komt omdat ijsje en paard het-woorden zijn. Bij de-woorden komt er dus wel een e achter en bij het-woorden niet. Bij meervoud komt er ook een e achter. Er zijn wel uitzonderingen: het gaat dan over het beroep of de functie van een persoon: zij is een groot danseres, hij is een fanatiek voetbalfan.

 

Streepje bij getallen en afkortingen

Schrijftip: wanneer na een cijfer een woord volgt, zet je er een streepje tussen. Voorbeelden hiervan zijn: 06-nummer, A3-formaat en 65+-pas. Dit geldt ook voor afkortingen waar een woord achter komt, bijvoorbeeld OV-kaart, cd-verzameling, wc-kalender.

 

Verharde of verhardde?

Wat is juist: het verharde voetpad of het verhardde voetpad? Verhard lijkt verleden tijd en omdat verhard op een d eindigt, lijkt het of je verhardde met dubbel d moet schrijven. In dit geval wordt verhard als bijvoeglijk naamwoord gebruikt. Het zegt dus iets over voetpad en dan wordt het met één d geschreven, dus het verharde voetpad. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het verwoeste kasteel en de vervreemde man.

 

Onregelmatig werkwoord

Ik loop, hij loopt. Hoe zit dat eigenlijk bij het werkwoord willen? Ik wil, hij wilt? Nee, willen is een onregelmatig werkwoord. De derde persoon, dat zijn hij, zij en het, schrijf je dan zonder t. Dus is het hij wil, zij wil, het wil. Handig om te weten, bijvoorbeeld bij een aanzoek.

 

Gebiedende wijs

Kom erbij. Ga mee. Word donateur. Allemaal voorbeelden van de gebiedende wijs. Soms schrijven mensen het werkwoord ‘worden’ in de gebiedende wijs met dt, dus wordt. Dit werd vroeger zo veel geschreven, maar tegenwoordig niet meer. Je kunt nu als leidraad aanhouden dat het in de gebiedende wijs hetzelfde woord is als in de ik-vorm, dus ik kom, ik ga, ik word.

Er is één uitzondering, namelijk bij het werkwoord zijn. De ik-vorm is dan ik ben, maar in de gebiedende wijs is het ‘wees’, dus bijvoorbeeld wees blij.

 

Baby's en cowboys

In de Nederlandse taal hebben we nogal wat woorden uit het Engels overgenomen, zoals baby en hobby. In het Engels is het meervoud hiervan babies en hobbies. Dat geeft nogal eens verwarring in het Nederlands, want daarin is het baby’s en hobby’s. Je kunt het onthouden, doordat het woord eindigt op een lange y. Het geldt ook voor andere woorden met een lange klinker aan het eind, zoals opa’s, taxi’s en menu’s.

Er is wel een uitzondering. Woorden die eindigen op een y, maar waar een klinker voor staat, zoals bij deejay en cowboy, daar schrijf je de s eraan vast. Dus deejays en cowboys.

 

Hoofd- of kleine letter?

U-bocht of u-bocht? Wanneer de letter iets zegt over de vorm van het woord dat erachter staat, gebruik je een hoofdletter. Bij T-shirt zegt de vorm van de letter ook iets over de vorm van het shirt, dus dat schrijf je officieel ook met een hoofdletter.

 

Rummikubben of rummikuppen?

Vakantietijd – spelletjestijd. Een spel als Scrabble of Rummikub schrijf je met een hoofdletter. Wanneer je er een werkwoord van maakt, dan schrijf je dat met een kleine letter, dus scrabbelen en rummikuppen. Let op: de b aan het eind van Rummikub verandert bij het werkwoord in een p, dat komt omdat je Rummikub als een p uitspreekt! 

 

Los of aan elkaar?

Combinaties van werkwoorden met de woorden binnen, neer, over en om schrijf je aan het werkwoord vast, dus bijvoorbeeld binnenhalen, neervallen, overbrengen en ombuigen. Wanneer je het over ‘naar binnen’ hebt, dan blijven het wel twee losse woorden.

 

Apostrof of streepje?

Als zelfstandige zonder personeel gebruik ik weleens de term zzp’er. Wist je dat je dat met een apostrof schrijft en dus niet met een streepje of ander leesteken? Je kunt het onthouden door dit foefje: je spreekt alle letters volledig uit en daardoor mag je er een apostrof achter zetten. Je schrijft het trouwens met kleine letters. Sms’je, vmbo’er en A4’tje zijn andere voorbeelden van letters waarin een apostrof zit verwerkt. A4’tje schrijf je wel met een hoofdletter, omdat A4 ook met een hoofdletter wordt geschreven.

 

Zullen en kunnen

Zullen en kunnen zijn onregelmatige werkwoorden. Je hebt je misschien al eens afgevraagd of je moet schrijven: je zult of je zal en je kunt of je kan. Goed nieuws: beide schrijfwijzen zijn goed. Wel wordt de schrijfwijze zonder t als informeler gezien. Wil je dus een officiële brief of mail sturen, dan kun je het best ‘je zult’ en ‘je kunt’ gebruiken.

 

Verkleinwoorden

Wanneer je van een woord een verkleinwoord wilt maken, kun je er vaak ‘je’ of ‘tje’ achter zetten, zoals bij paard, paardje, stoel, stoeltje. Bij woorden die op een klinker eindigen, werkt het anders. Kilo, pizza en paraplu zou je anders verkeerd kunnen uitspreken: kilotje, pizzatje en paraplutje. Wanneer je er een extra klinker in zet, los je dat probleem op, dus: kilootje, pizzaatje en parapluutje. Eindigt een woord op é, dan hoef je geen extra e toe te voegen, want het woord blijft hetzelfde klinken. Voorbeelden zijn satétje en cafétje.

 

Hardlopen en stofzuigen

Door mijn werk als tekstschrijver breng ik veel tijd door achter mijn bureau. Om het vele zitten te compenseren, ga ik regelmatig hardlopen. Hardlopen is zo’n woord dat trouwens best lastig in de verleden of de voltooide tijd te zetten is. De juiste schrijfwijze is: Ik loop hard, ik liep hard, ik heb hardgelopen. Stofzuigen is ook zo’n term. Dat vervoeg je als volgt: ik stofzuig, ik stofzuigde, ik heb gestofzuigd.

 

V of f in het meervoud?

Slurfen of slurven, briefen of brieven, zefen of zeven. Woorden die in het enkelvoud eindigen op een f, zoals slurf, krijgen in het meervoud vaak een v, dus slurven. Dat is de basisregel. Helaas zijn er in onze taal nogal eens uitzonderingen, zoals smurfen, triomfen, paragrafen, fotografen. Een kleine hulp bij de woorden op graaf: woorden die zijn afgeleid van het Griekse grafein (schrijven) houden in het meervoud een f. Kijk bij twijfel op https://onzetaal.nl/taaladvies/fotograven-fotografen/.

 

Vermijd ouderwets Nederlands

Soms gebruiken mensen het woord ‘welke’ om in een zin ergens op terug te grijpen, bijvoorbeeld: We gaan naar de bibliotheek, welke is gelegen naast het ziekenhuis. Welke is in dit verband eigenlijk ouderwets Nederlands. Je kunt er beter van maken: We gaan naar de bibliotheek, die is gelegen naast het ziekenhuis. En maak er dan ook meteen van: We gaan naar de bibliotheek, die naast het ziekenhuis ligt. Zo wordt de zin actief en leest ie prettiger.

 

Wanneer gebruik je wat of dat?

Weet jij wanneer je 'wat' of 'dat' moet gebruiken? ‘Dat’ gebruik je als het slaat op een zelfstandig naamwoord dat eerder in de zin voorkomt. Bijvoorbeeld: Daar staat het fietsje dat ik wil kopen. ‘Wat’ slaat op woorden die geen concreet zelfstandig naamwoord zijn, zoals iets, niets, het enige, datgene, het mooie, het leukste en ook het zevende, het achtste, enzovoort. Een voorbeeld: Ik ga iets doen wat ik nog nooit heb gedaan. Overigens kun je hier ook vaak ‘dat’ voor in de plaats zetten.  

 

Lang leve 't kofschip

Werkwoorden vervoegen is best lastig. Gelukkig hebben we ’t kofschip. Haal van een werkwoord -en af en kijk dan naar de laatste letter. Wanneer die in ’t kofschip staat, eindigen de verleden tijd en het voltooid deelwoord op een t. Woorden die op een sisklank eindigen, maar niet in ’t kofschip zitten, eindigen ook op een t. Voorbeeld: gebruiken - gebruikte - gebruikt, mixen - mixte - gemixt, matchen - matchte - gematcht.

 

Koppensneller of plaatjeskijker?

Hoe lees jij een tekst? Kijk je eerst naar de plaatjes om te bepalen of je de tekst wilt lezen? Of ben jij een typische koppensneller en bepalen de koppen boven de tekst of jij verder leest? Als je een tekst moet schrijven, denk dan ook aan een duidelijke verdeling in alinea’s. Zet boven de tekst een kop en doe dat ook boven een aantal alinea’s. En als kers op de taart zoek je een of meer afbeeldingen die aantrekkelijk zijn en iets zeggen over de tekst. Al deze elementen maken een tekst prettiger om te lezen en vergroten de kans dat mensen je tekst lezen. En dat is toch het uiteindelijke doel van je schrijfsel.

 

Maak je teksten actief

Probeer bij het schrijven van teksten passieve of lijdende werkwoorden te vermijden. ‘Worden’ is zo’n werkwoord. Passieve werkwoorden maken je tekst saai en ze spreken minder snel tot de verbeelding. De zin ‘De cijfers worden morgen bekend gemaakt’ klinkt minder actief dan ‘Morgen maakt de docent de cijfers bekend’. Je maakt een zin actief door erin aan te geven wie iets doet, in dit geval dus de docent. Lastig? Neem gerust contact met me op om je te helpen.

 

Humor graag!

Moet je een tekst schrijven over een ‘zwaar’ onderwerp, dan kun je dat vaak wat luchtiger maken door er wat humor in te verwerken. Zorg er wel voor dat je het netjes en respectvol houdt, want anders haken je lezers af. Door een anekdote kun je de zwaarte bijvoorbeeld wat uit het onderwerp halen en het van een andere kant belichten.

 

Varieer in lengte

Teksten worden prettiger om te lezen als je de lengte van de zinnen varieert. Als elke zin ongeveer even lang is, krijg je het gevoel dat deze door een robot is geschreven. Juist de afwisseling van lang en kort houdt het interessant.

 

Komma's en streepjes

Sommige werkwoorden bestaan grotendeels uit een afkorting, zoals sms’en en cc’en. Zoals je ziet, zet je er dan een apostrof (hoge komma) in. De regel hierbij is dat de afkorting nog duidelijk zichtbaar moet zijn. In de verleden tijd gebruik je daarom de regels van ’t kofschip. Dus: hij sms’te, hij heeft ge-sms’t. Bij het voltooid deelwoord, ge-sms’t, zet je er dus ook nog een streepje tussen.

 

Enkelvoud of meervoud?

Bij woorden zoals ‘aantal’, ‘groep’ en ‘paar’ hebben we vaak het gevoel dat we meervoud moeten gebruiken. Toch is het woord zelf enkelvoud en daarom moet je dat ook als enkelvoud in een zin verwerken. Voorbeelden: een aantal wandelaars neemt altijd het linker pad. De groep fietsers ging de berg op.

Er is wel een uitzondering. Heb je het over een paar willekeurige sokken, dan kun je meervoud gebruiken. Dus: er hingen een paar sokken aan de waslijn. 'Paar' kun je dan vervangen door het woord 'enkele'.

 

5x W en 1x H

Wil je een persbericht schrijven voor je werk of voor een vereniging waar je lid van bent? Zorg dan dat de 5 W’s en 1 H in de tekst staan. Dit zijn: wie, wat, waar, waarom, wanneer en hoe. Zorg dat je na het schrijven antwoord hebt gegeven op deze 6 vragen, dan staan alle belangrijke feiten erin.

 

Komma s of niet?

Jans boek, Peters jas, maar Pedro’s fiets, Anna’s school en Truus’ pen. Snap jij het nog? Bij Jan en Peter verandert er niets aan de klank en kan de s er gewoon aan vast. Als we dat zouden doen bij Pedro en Anna, klinkt het als Pedròs en Annàs, dus met een korte klank. Door de ’s blijven de woorden hetzelfde klinken. Bij namen als Truus, Fernandez en Lex hoor je aan het eind een sisklank. Er komt dan geen s achter, maar alleen een apostrof (‘), dus Truus’, Fernandez’ en Lex’.

 

Dubbele ontkenning

Wanneer je de woorden ‘niet’, ‘geen’, enzovoort gebruikt, moet je goed  opletten hoe je de zin verder schrijft of zegt. Veel mensen gebruiken een dubbele ontkenning in een zin, waardoor je eigenlijk het omgekeerde bedoelt. Voorbeeld: Het is verboden om hier niet in te rijden. Er wordt bedoeld dat het verboden is om in te rijden, maar er staat dat je er juist wel in moet rijden. Ander voorbeeld: met deze regels wordt voorkomen dat zij niet op de vluchtstrook gaan rijden. Voorkomen en verboden zijn woorden waar al een ontkenning in zit. In dat soort zinnen moet je daarom geen extra ontkennend woord zetten, want dan gaat de zin het omgekeerde betekenen.

 

Trek je doelgroep je persbericht in

Bij het schrijven van een persbericht kun je beginnen met ‘Op 16 maart organiseert voetbalvereniging Altijd Raak uit Niemandsland op het eigen voetbalcomplex een voetbaltoernooi voor basisschoolkinderen.’ Je kunt ook iets meer de aandacht trekken door bijvoorbeeld met een citaat te beginnen, zoals: ‘Wij zijn op zoek naar voetbaltalent en organiseren daarom een voetbaltoernooi voor schoolkinderen’, legt trainer Jan de Wit enthousiast uit. Op deze manier trek je de lezer meer je bericht in en is de kans groter dat het wordt gelezen.

Je communicatie goed geregeld!
Top <h4>jannetteweultjes.nl sitemap:</h4> <ul> <li><a href="https://www.jannetteweultjes.nl/home">Welkom</a></li> <li><a href="https://www.jannetteweultjes.nl/communicatie-uitbesteden">Communicatie uitbesteden</a></li> <li><a href="https://www.jannetteweultjes.nl/jannette-weultjes">Jannette Weultjes</a></li> <li><a href="https://www.jannetteweultjes.nl/schrijftips">Schrijftips</a></li> <li><a href="https://www.jannetteweultjes.nl/contact">Contact</a></li> <li><a href="https://www.jannetteweultjes.nl/privacy">Privacy</a></li> <ul>